Prekoloniale geschiedenisDe vroegste sporen van menselijke bewoning op Curaçao zijn te vinden te Rooi Rincón. Het betreft een abri, een schuilplaats in de rotsen van zogenaamde meso-indianen, met een afvalhoop van schelpen. Het gaat om artefacten: enkele krabbers en vormloze steensplinters die voor verschillende doelen gebruikt kunnen zijn. De dateringen liggen tussen 3480 en 2325 v.Chr.. Vergelijkbare resten zijn gevonden bij Kintján en bij Tafelberg. Resten van aardewerk uit de neo-indiaanse periode zijn gevonden bij Knip en San Juan. De dateringen liggen tussen 450 en 1405 na Christus. Het materiaal behoort tot de Dabajuroid-cultuur. Ook zijn er rotstekeningen. Tegen het einde van de 15de eeuw woonden op Curaçao Arowakken. Tegenwoordig deelt men deze voormalige Indiaanse bewoners in bij de Taíno. De Taíno, leefden in kleine nederzettingen met tot ongeveer 40 inwoners. De dorpjes lagen vaak in de buurt van de zuid- en westkust, bij een bron van drinkwater. De latere Taíno leefden van kleinschalige verbouw van onder meer cassave, van visserij en het verzamelen van schelpdieren, en van jacht op klein wild. Daarnaast dreven zij handel met Indianen van andere eilanden en van het vasteland. Woonplaatsen zijn gevonden bij onder andere Knip en Santa Barbara. Wetenschappelijke aandacht voor de eerste bewoners van de Nederlandse Antillen was er al vroeg. Zo voerde de amateur A.J. van Koolwijk in de 19e eeuw veldverkenningen uit. Ook inventariseerde hij de rotstekeningen op het eiland. Sindsdien hebben velen zich bezig gehouden met de vroegste bewoners van Curaçao. Spaanse periodeCuraçao werd in 1499 "ontdekt" door de Spanjaard Alonso de Ojeda. Op dat moment woonden er naar schatting ongeveer 2000 Taíno op het eiland. In 1515 werden vrijwel alle Taíno als slaven weggevoerd naar Hispaniola. De Spanjaarden vestigden zich definitief op het eiland in 1527. Het eiland werd echter bestuurd vanuit een van de Spaans-Venezolaanse steden. De Spanjaarden importeerden veel exoten naar Curaçao. Paarden, schapen, geiten, varkens en rundvee werden vanuit Europa of een van de Spaanse koloniën op het eiland geïntroduceerd. Ook diverse uitheemse bomen en planten werden door de Spanjaarden aangeplant. Dat was vaak een kwestie van trial and error. Vandaar dat zij ook gewassen en landbouwmethoden van de Taíno leerden kennen en gebruiken. Parallellen op andere Caraïbische eilanden zijn uit bronnen bekend. Niet alle ingevoerde exoten hadden even veel succes. Met het vee ging het in het algemeen goed; de Spanjaarden lieten het vee los lopen in de kunuku en op de savannes. Het vee werd gehoed door Taínos en Spanjaarden. Schapen, geiten en rundvee deden het relatief het beste. Volgens historische bronnen waren er duizenden op het eiland. Met de landbouw ging het daarentegen beduidend slechter. Omdat de opbrengsten van de Curaçaose agricultuur teleurstellend waren; de zoutpannen geen hoge opbrengst hadden en er geen edelmetalen te vinden waren, noemden de Spanjaarden het eiland een "isla inutile", een nutteloos eiland. Na verloop van tijd nam het aantal Spanjaarden dat op Curaçao woonde af. Daarentegen stabiliseerde het aantal Indiaanse bewoners zich. Vermoedelijk vond er door natuurlijke aanwas, terugkeer en kolonisatie, zelfs bevolkingstoename van de Taíno plaats. In de laatste decennia van de Spaanse bewoning werd Curaçao gebruikt als een grote veehouderij. Spanjaarden woonden dan rond Santa Barbara; Santa Ana en in dorpjes op het westelijke deel van het eiland. Taíno woonden voor zover bekend verspreid over het eiland.
|